Marcel Broodthaers

Marcel Broodthaers (°1924, Brussel, + 1976, Keulen) was een Belgisch dichter en beeldend kunstenaar, die vanwege zijn unieke houding ten opzichte van de kunst en de kunstwereld internationaal tot de bekendste aan de conceptuele kunst gelinkte kunstenaars gerekend werd. Hoewel het artistieke parcours van Broodthaers zeer divers en eigengereid was (hij was onder meer ook curator en filmmaker), kunnen in zijn oeuvre toch sterke links ontwaard worden met een aantal kunststromingen. Zo ontleende hij zijn fascinatie voor het verband tussen woord, beeld en object aan het (Belgische) surrealisme van René Magritte, zijn veelvuldige en massale gebruik van dagelijkse voorwerpen aan het Franse Nouveau Réalisme en zijn kritische reflectie over de kunst en kunstwereld aan de Europese conceptuele kunst. Ook formuleerde hij in zijn werk vaak een kritiek op de Amerikaanse popart, waarmee hij in Parijs in contact kwam en die hij als te marktgericht beschouwde. In 1964 gaf hij lezingen en organiseerde hij debatten over deze stroming, waarbij hij deze – en de kunst in het algemeen – voorstelt als bedrog, als ‘un bon à rien’.

Broodthaers was een autodidact, die zich na het aanvatten van een studie in de scheikunde (die hij nooit afmaakte) volledig wijdde aan de poëzie. Tussen 1957 en 1964 bracht hij vier dichtbundels uit; Mon Livre D’Ogre (1957), Minuit (1960), La Bête Noire (1962) en Pense-Bête (1964). Hij schreef in die periode ook regelmatig recensies over hedendaagse kunst, wat niet onbelangrijk was voor zijn verdere artistieke parcours, omdat hij hierdoor een sterk beschouwende en kritische blik ontwikkelde op de kunst en het kunstbedrijf. Geen van zijn poëziepublicaties kende echter veel succes, waardoor Broodthaers in 1964 besloot het dan maar over een andere boeg te gooien en beeldend kunstenaar te worden. Deze beslissing resulteerde in zijn eerste, in zijn eigen woorden ‘proposition artistique’, dat meteen een sleutelwerk werd in zijn beeldende oeuvre: ‘Le Pense Bête’. Hiermee maakte Broodthaers op symbolische wijze komaf met zijn literaire carrière: hij goot de resterende exemplaren van zijn laatste dichtbundel in plaaster en plaatste ze op een sokkel. Door de gedichten in een gipsen ‘mal’ te gieten, werden ze niet langer leesbaar en kregen ze de status van een sculpturaal object.

In de eerste jaren van zijn ‘tweede’ carrière als beeldend kunstenaar focuste Broodthaers zich voornamelijk op de vraag naar de status van dit (sculpturaal) kunstobject, waarbij hij dikwijls taal en haar inherente dubbelzinnigheid hanteerde om de mogelijke antwoorden op deze vraag meteen ook te ontkrachten of opnieuw op de helling te zetten. Vanaf 1965 maakt hij een reeks assemblages samengesteld uit natuurlijke en artificiële consumptieproducten: eierschalen, lege mosselschelpen, flessen, zakken friet, fragmenten poëzie. Voor Broodthaers geen consumptiewaar als Coca-Cola of tomatenblikjes zoals e popart die gebruikte, maar elementen die verwijzen naar de Belgische (eet)cultuur of de Brusselse bourgeoisie. Bij het componeren van deze werken blijft hij bovenal een dichter: hij geeft de objecten het statuut van letters, die op zichzelf nauwelijks betekenis genereren, maar die ze pas krijgen als ze samen met andere objecten tot een conceptuele ‘zin’ verbouwd worden. Zoals in het werk van Magritte is er ook bij Broodthaers steeds sprake van het spel tussen het concrete ding als teken en zijn betekenis in een poëtische beeldende taal. Zo verwart hij ‘la moule’ (de mossel) met ‘le moule’ (de gietvorm), van waaruit hij een hele poëtica concipieert omtrent de relatie tussen inhoud en vorm, het eigene en de context van kunst, concipieert. Later in zijn loopbaan zal Broodthaers trouwens zijn aanvankelijke bezigheid als dichter opnieuw opnemen om woorden en lettertekens tot ‘lege’ beeldende vormen te transformeren. Al van bij het begin van zijn artistieke loopbaan is hij zich ten zeerste bewust van de verschillende domeinen waarbinnen kunst functioneert en tot koopwaar verwordt. Hij stelt de mechanismen die het kunstwerk degraderen aan de kaak, niet door de kunstwereld openlijk aan te klagen of enige vorm van revolutie na te streven, maar net door zich haar regels eigen te maken. In 1968 lanceert hij in dezelfde lijn zijn vier jaar durende fictief museum, het ‘Musée d’Art Moderne’, waarin verschillende door hemzelf georganiseerde tentoonstellingen elkaar opvolgen. Al van bij de opening wordt duidelijk dat het andermaal gaat om vorm zonder inhoud, om formele conventies als de uitnodiging, betiteling, zaalnummer, postkaarten, receptie en publiek, doch zonder de eigenlijke kunstwerken. Met het eindpunt van zijn fictie, het ‘Département des Aigles’, bereikt Broodthaers’ meesterlijke ridiculisering van de museale cultuur een hoogtepunt en wordt hij internationaal bekend. Voor deze tentoonstelling worden vele voorstellingen van de adelaar uit zowel natuurhistorische, volkse als kunstmusea samengebracht met de adelaar als enige aanknopingspunt. Bij elk afzonderlijk kunstwerk brengt Broodthaers echter een plakkaatje aan met de tekst ‘Dit is geen kunstwerk’ in drie talen, een verwijzing naar zowel Magrittes ‘Ceci n’est pas une pipe’ als naar Duchamps readymades. Op zich hebben de werken geen betekenis, pas in de context van het geheel worden ze belangrijk. Al vroeg verstond Broodthaers de implicaties van een retrospectief standpunt en het gevaar van ‘thematentoonstellingen’ die het individuele kunstwerk in de schaduw zetten. Aan het einde van zijn leven gaat hij hierin nog een stap verder en transformeert hij zijn exposities zelf in kunstwerken. Dit resulteerde in de grootse opzet van zes ‘retrospectieve’ tentoonstellingen die Broodthaers in de laatste 18 maanden van zijn leven organiseerde in evenveel Europese kunstinstellingen: het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, het Kunstmuseum in Basel, de Neue Nationalgalerie in Berlijn, het Institute of Contemporary Art in Londen, het Museum of Modern Art in Oxford en het Centre National d’Art Contemporain in Parijs. In deze tentoonstellingenreeks, die Broodthaers veelzeggend ironisch met de overkoepelende titel Décors bedacht, bereikte zijn denken over kunst en de kunstwereld een hoogtepunt. Hij wierp zich hierbij resoluut op als curator-kunstenaar van zijn eigen werk en hield de touwtjes in handen van alle aspecten (gaande van uitnodigingskaart over catalogus tot de werken zelf) van het productieproces van deze retrospectieves.

In zijn aanpak herschikte en herinterpreteerde Broodthaers voortdurend zijn eigen oeuvre uit het verleden en voorzag het van nieuwe betekenissen, tot grote ergernis van de ‘echte’ curatoren van de kunstinstellingen. Door dit voortdurende ensceneren van zijn eigen artistieke productie – waarbij hij dikwijls meer aandacht had voor de ‘nevenverschijnselen’ van het kunstobject dan voor het kunstwerk zelf – evoceert Broodthaers op meesterlijke wijze de mankementen van de kunst en de kunstwereld. Hij ontmaskert in zijn kunst haar eigen cultuur van leegte en afwezigheid, iets waar de kunst zelf zich altijd hevig heeft tegen verzet, en maakt ze hierdoor onderhevig aan het voorwerp van haar eigen kritiek[K1] . Dit maakt hem tot een van de eerste en meest relevante anti-institutionele hedendaagse kunstenaars, die een groot deel van de volgende artistieke generatie heeft beïnvloed.

 [K1]Dit zou je moeten herformuleren, is zo geformuleerd niet duidelijk.


year and place of birth: 1924-01-28, Brussels, Belgium

More work of

Publications

Exhibitions