Raoul De Keyser

Na een debuut als sportjournalist en kunstcriticus werkte Raoul De Keyser (°1930, Deinze, + 2012, Deinze) aan een eigenzinnig oeuvre dat zich niet gemakkelijk laat categoriseren. S.M.A.K. beschikt over meer dan 15 van zijn werken, die ongeveer drie decennia uit zijn carrière overspannen en inzicht geven in de evolutie van zijn beeldtaal. Begin jaren 1960 volgde De Keyser aan de Kunstacademie van Deinze les bij Roger Raveel, rond wiens figuur net in die periode een vernieuwend schilderklimaat was ontstaan, dat aanleiding gaf tot een nieuwe figuratieve schilderstijl: ‘De Nieuwe Visie’(1967). Samen met Reinier Lucassen en Etienne Elias nam De Keyser er actief aan deel.

De Keyser debuteerde in 1964 met kleurrijke schilderijen van objecten uit zijn directe omgeving: een deurklink, een wolk, een stuk prikkeldraad. De vroegste doeken uit de S.M.A.K.-collectie, ‘Kraantje met tuinslang’ (1965), ‘Camping II’ (1969), ‘Camping V’(1970-71) en ‘Kalklijnen hoek’ (1970), typeren deze beginperiode, waarin de invloed van Raveel en van de popart sterk naar voren komt. Toch beschouwde De Keyser zichzelf niet als een typische aanhanger van De Nieuwe Visie, omdat de Amerikaanse laat-modernistische abstracte schilderkunst evenveel het karakter van zijn vroege werk heeft bepaald.

‘Het spanningsveld tussen realiteit en abstractie zal De Keyser consequent blijven onderzoeken om via een schrale schilderwijze, wegschildering, afocale compositie en monochromie te evolueren naar een punt waar beide elkaar overlappen. Hij ontdoet de schilderkunst van haar referenties naar Pop Art en buigt haar om naar een minimale meer fundamentele schilderkunst.’ (Norbert De Dauw & Veerle Van Durme) [K1] Zijn werk uit de jaren 1970 sloot dan ook sterk aan bij de principes van de fundamentele en postminimalistische schilderkunst die toen de kunstactualiteit beheersten.

Vertegenwoordigers van die stromingen gingen op zoek naar de essentie van de schilderkunst door haar formele grondbeginselen te onderzoeken. Ze stonden een voorstellingsloze schilderkunst voor, waardoor de handeling van het schilderen en het voorafgaand denkproces op de voorgrond kwamen. In werk van de jaren 1970 schematiseerde De Keyser de werkelijkheid dan ook zodanig dat ze haast als een abstract patroon van lijnen en kleurvlakken op het canvas verscheen, zoals in ‘Zonder titel’ (1973) en ‘Krijthoek 190°’ (1977), waarin niet meer het afgebeelde onderwerp, maar wel het proces van het schilderen zelf centraal stond. De Keyser benaderde het doek als drager van verf met in het verfoppervlak fysieke sporen van zijn hand.

‘Een andere overeenkomst tussen het werk van De Keyser en de vertegenwoordigers van de fundamentele schilderkunst is de voorkeur voor het werken in reeksverband. Dit procedé stelde de schilder in staat de mogelijkheden van een basisgegeven grondig af te tasten.’ (Steven Jacobs, 2000). In het voetspoor van Roland Jooris merkt Steven Jacobs op dat er in de reeksen schilderijen van De Keyser echter nooit sprake is van een systematische, graduele of compositorische samenhang. ‘Elk werk behoudt zijn eigen karakter en wordt niet van een groter geheel afhankelijk. De Keyser maakt geen gebruik van een vooraf getekend plan – de schilderijen leggen getuigenis af van een gedachtegang of een groeiproces dat zich door het realisatieproces heen voltrekt.’(Jacobs, 2000) Jacobs bevestigt meermaals in zijn essay ‘dat voor Raoul De Keyser het kunstwerk ontstaat door zijn vergissingen, door de onverwachte effecten die het creatieproces uitlokt en door de prozaïsche strijd met de inertie van de materie.’ (Jacobs, 2000) ‘Uiteraard is er een voorafgaand idee, eventueel een schets, maar geen disegno.’(Jacobs, 2007)

De krijtlijn is het belangrijkste motief uit de jaren 1970, dat later ook regelmatig opduikt in zijn werk. ‘De krijtlijn groeit uit tot een autonoom compositorisch element, dat voortdurend wordt gemodificeerd en waarmee allerhande picturale mogelijkheden worden afgetast. (…) Het vormde tevens de aanleiding voor een reflectie over de handeling van het tekenen of het schilderen.’ (Jacobs, 2000)

‘Omstreeks 1979-80 kan een kentering in het oeuvre van De Keyser worden geconstateerd. De “minimale” of “fundamentele” periode wordt afgesloten. Na een decennium van ingetogen en introvert onderzoek wordt schilderen opnieuw een feest.’ (Jacobs, 2000) De Keysers werk van de jaren 1980 kenmerkt zich door nieuwe iconografische motieven (onder meer de wigvormige boeg van een kano, de boomkruin aan het raam van zijn atelier), een grotere ruimtelijke complexiteit en uitbundiger kleurgebruik, zoals in ‘Tornado’ (1981) en ‘Knauw’ (1983-1984). Zijn heftige penseelvoering heeft echter weinig te maken met het destijds alomtegenwoordige neo-expressionisme, maar eerder met het gevecht dat hij decennialang is aangegaan met de verf en het doek.

In de jaren 2000 worden de motieven op de doeken van De Keyser steeds abstracter en dus ook moeilijker te achterhalen. Hij grijpt ook regelmatig terug naar de beeldtaal van oudere werken. Zo zijn de werken ‘Untitled’ (2001) en ‘Luck’ (2002) precedenten voor ‘Staring’ (2007) en ‘Opponents’ (2007). ‘Eerder vervaardigde werken of fragmenten ervan duiken als motief op in nieuwe. Soms fungeert ouder werk ook letterlijk als een basis voor een nieuw werk: het schilderij wordt jaren later van een verflaag voorzien (…) In die zin draagt een schilderij soms de fragmentarische geschiedenis van een geheel oeuvre in zich die evenwel wordt verborgen en onzichtbaar wordt gemaakt. Laag boven laag kapselt De Keysers artistieke loopbaan zich fysiek in de thickness van zijn schilderijen in. (…) Bijgevolg wordt het opstellen van een genealogie van het oeuvre van De Keyser een onmogelijke taak. De schilder is immers niet alleen zijn eigen iconoclast maar ook zijn geschiedenisvervalser.’ (Jacobs, 2007)

Toen het medium van de schilderkunst in de jaren 1980 en 1990 werd herontdekt en opnieuw geëvalueerd, kwam De Keysers werk internationaal op de voorgrond. Hij nam onder meer deel aan Documenta IX (1992), Der Zerbrochene Spiegel: Positionen zur Malerei in Wenen en Hamburg en de Biënnale van Venetië (Giardini, 2007). Tot op heden blijft de internationale belangstelling voor zijn werk groeien.

Tekst door Isabelle De Baets 

Bronnen

Geirlandt, K., e.a. Catalogus van de verzameling. Gent: Museum voor Hedendaagse Kunst, 1982.
Jacobs, S. ‘Wat nog aan diepte rest, wordt met kleur verpakt’, in: Raoul De Keyser : Paintings 1980-1999. Gent: Ludion/Cera Holding, 2000.
Jacobs, S. Raoul De Keyser: Retour 1964-2006. Amsterdam: Ludion, 2007.

Norbert De Dauw & Veerle Van Durme


geboortejaar en -plaats: 1930-08-29, Deinze

Meer werk van

Publicaties

Tentoonstellingen