Leo Copers

Het uiteenlopende oeuvre van Leo Copers (°1947, Gent), dat voornamelijk bestaat uit sculpturen, installaties en performances, bekleedt een unieke plaats in de Belgische kunst vanaf de late jaren 1960. Copers begon zich artistiek te manifesteren in een periode waarin de conceptuele en de minimalistische kunst overheersten en tezamen met de postreadymadekunst en de happening alle metaforiek uit de kunst leken te willen weren. Al sinds zijn studietijd aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten was Copers goed op de hoogte van deze tendensen in de (internationale) kunstwereld. Wars van die toenmalige trends hield hij gedurende zijn gehele carrière als kunstenaar vast aan het symbool en de metafoor, wat hem echter niet belette de minimale en conceptuele beeldtaal ironisch in functie hiervan aan te wenden.

Copers is een van de weinige kunstenaars van wie het beginpunt van zijn artistieke carrière exact vastgelegd kan worden, namelijk op 3 mei 1969. Op die dag werd Copers getroffen door een eenvoudig tafereel van een kapotte gloeilamp die op het water van een Gentse gracht dreef. Toen hij dit zag flitste een absurde gedachte door zijn hoofd die vrijwel letterlijk samenviel met de courante uitdrukking ‘er ging hem een licht op’. Hij stelde zich hetzelfde beeld voor, maar dan met een brandende gloeilamp die op het water drijft, waardoor twee volstrekt antagonistische energieën met elkaar verbonden worden: water en elektriciteit. Copers onderstreepte deze ‘inval’ met het artistieke motto dat hij de rest van zijn carrière als kunstenaar zal aanhouden: ‘every day a new idea’.  Met deze idee distantieerde Copers zich van zijn ‘conceptuele’ tijdgenoten door niet de consistentie van de ideëen, maar net de grilligheid ervan centraal te plaatsen in zijn artistieke praktijk, en ze dus te onderwerpen aan de terloopse, disparate, foute en dikwijls irrationele invallen van zijn geest en fantasie. Eveneens in tegenstelling tot de conceptuele kunst van zijn tijd, blijft Copers niet stilstaan bij louter de vondst van een (irrationeel) beeldidee, maar beschouwt hij enkel de uitwerking ervan tot ‘materieel’ resultaat als het ware kunstwerk.

Het oeuvre van Copers kan als een kruispunt binnen de Belgische kunst beschouwd worden, waarbij hij niet enkel gebruikmaakt van de beeldtaal van de toenmalige internationale kunsttendensen – voornamelijk het minimalisme en de conceptuele kunst – maar ook schatplichtig is aan nationale kunstuitingen. Zo vertoont zijn werk ook sterke links met het aan René Magritte ontleende poëtische surrealisme waarbij het creëren van een verwantschap tussen twee niet evidente en zelfs tegengestelde beelden centraal staat, en maakt hij dikwijls gebruik van de anti-institutionele humor en ironie van Marcel Broodthaers. Vanuit dit referentiekader kan het werk van Copers gezien worden als een verheerlijking van het zinloze en absurde aspect van de beeldende werkelijkheid, waarbij teken en betekenis niet langer een eenheid vormen. Copers heft hun natuurlijke verband [K1] op door twee ogenschijnlijk onverenigbare elementen samen te laten komen, waardoor de normale relatie tussen teken en betekenis ontaardt en verwordt tot  [K2] een surrealistisch aandoend eindresultaat. Een andere veelvoorkomende thematiek in zijn oeuvre is de notie van gevaar, destructie en vergankelijkheid. Ook die wordt door Copers op een dualistische manier benaderd, waarbij hij voortdurend alterneert tussen de presentatie van simpel, esthetisch kijkgenot en een unheimliche, bedreigende situatie. Hier is de ironie evenmin veraf, omdat het gevaar, de vernietiging en de vergankelijkheid op een afstandelijke, overgeësthetiseerde manier in beeld gebracht worden en dus nooit reëel kunnen zijn, waardoor de toeschouwer hun mogelijke impact steeds zal onderschatten. Op deze manier ironiseert Copers vaak de immoraliteit van een politiek volkomen onverantwoord esthetiscisme, zonder overigens in zijn kunst hiervoor een oplossing te bieden, waardoor zijn werk tot op de dag van vandaag – in tijden waarin slechte smaak bijna mainstream geworden is – nog steeds zeer relevant is.

 [K1]Lijkt me nu net geen ‘natuurlijk’ verband, eerder ‘conventionele’ of iets dergelijks. OK

 [K2]‘clashen tot’ kan volgens mij niet


geboortejaar en -plaats: 1947-03-03, Gent

Meer werk van

Publicaties

Tentoonstellingen