Karel Appel

Hoewel Karel Appel - één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de legendarische internationale groep Cobra - vooral bekend is als schilder, hebben experimenten in sculptuur zijn schilderkunst eigenlijk altijd begeleid. Zijn beeldhouwkunst bleef voor het grote publiek lang verborgen. Zijn sculpturen die nooit eerder in een zo grote selectie in België werden gepresenteerd, tonen Appels enorme creativiteit en zijn talent om gevonden voorwerpen in een eigen beeldtaal te verwerken. In zijn beeldhouwwerken vermengt Karel Appel vormen van verschillende culturen en tijdperken. Ze laten zien hoe de kunstenaar de meest verschillende beelden uit onze wereld combineert. De individuele mens, zijn scheppende kracht en zijn fantasie: dat zijn de eigenlijke thema’s van de kunstenaar. In het begin, eind jaren veertig, boeide hem de techniek van de assemblage: het verrassende en poëtische verbinden van verschillende materialen (gevonden voorwerpen), kleuren en gewichten. Ook zijn recente sculpturen bestaan uit gevonden voorwerpen: popen, architectuurfragmenten, stukken huisraad, houten bedden, kruiwagens, totems en nog veel meer. Het zijn voorwerpen die hij her en der vindt en naar zijn atelier sleept. Daar wachten ze tot er een plek voor ze gevonden wordt in een assemblage die hij onder handen heeft. Vaak zijn dat er meerdere tegelijk. De samenstelling van de beelden is instinctief. Typisch voor de nieuwe beelden is dat ze stevig op de grond staan. Ze zijn zichtbaar zwaar (zoals klassieke sculpturen) en ze zijn uitzonderlijk compact. Als dan een assemblage in elkaar is gezet, begint het beschilderen ervan. Langzaam krijgt het beeld een huid van kleur. Zo worden de beelden toch weer schilderkunst: een derde dimensie van schilderkunst, indrukwekkend mooi en volstrekt eigenzinnig. Hugo Claus stelde in 1964 voor om Appel ‘klassiek’ te noemen. Het ontembare instinct van deze kunstenaar zou zijn kunst duidelijk onderscheiden van het werk van andere schilders dat vol is van onderdrukte romantiek, geheimleer en ‘mythomanie’. Karel Appel is inderdaad alles behalve een romanticus. Als schilder is Karel Appel ook in de traditionele zin een klassieker, een meester van de moderne kunst; als beeldhouwer is hij een ontdekking. Het werk van Karel Appel behoort samen met dat van Asger Jorn, Pierre Alechinsky en Corneille tot de basiskern van de verzameling van het S.M.A.K. Tot vandaag is het een hoeksteen waarop museumpresentaties geënt worden. Het S.M.A.K. is dan ook bijzonder verheugd het recente werk van de bijna tachtigjarige kunstenaar omvangrijk te presenteren. In de tentoonstelling zijn een 20-tal monumentale sculpturen uit de jaren negentig te zien. Deze werken zullen getoond worden in een bijzonder huwelijk met een selectie gedichten van Karel Appel zelf. Karel Appel Biografie Karel Appel werd geboren in Amsterdam op 25 april 1921. Als jong kunstenaar wordt hij beïnvloed door de geschriften van Walt Whitman en Comte de Lautréamont, en de lessen van Krishnamurti. Studeert tussen 1942 en 44 aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Amsterdam. In 1946 reist hij naar Denemarken waar hij de latere leden van Cobra ontmoet. Het jaar daarop creëert hij een grote hoeveelheid werk gekenmerkt door twee determinerende elementen in zijn assemblage-stijl: het gebruik van hout in zijn reliëfs en de keuze voor verhalende representatie. In 1948 is Appel medestichter van de Experimentele groep die het tijdschrift Reflex publiceert. Enkele maanden later versmelt deze groep met Deense en Belgische kunstenaars om de Internationale Cobra groep te vormen. Deze groep werd gesticht op 8 november in het Café de l’Hôtel Notre Dame in Parijs door Dotremont en Noiret (België), Jorn (Denemarken), en Appel, Constant en Corneille (Nederland). Terzelfder tijd maakt Appel zijn ‘afval-werken’ die formeel gerelateerd zijn met de Junk-art uit de jaren zestig en de nog uit te vinden ‘vuilnis-kunst’ van de Nouveau Réalistes, maar inhoudelijk toch verschillend zijn. Vanaf 1949 wordt het tijdschrift Cobra uitgegeven door Jorn en Dotremont. Jorn publiceert eveneens een serie van kleine monografieën onder de titel Bibliotheque de Cobra. Appel en de Cobra-kunstenaars verwerpen het verlichte en rationele westerse verleden, en geloven ten gevolge van de vernietiging van de beschaafde waarden in de Tweede Wereldoorlog niet meer in de rede. Zoals Dubuffet, Giacometti en Bacon ontwikkelen de Cobra-kunstenaars een veelheid aan formele mogelijkheden als een commentaar op de ‘condition humain’ eerder dan abstracte picturale waarden die zo dominant waren in het post-Mondriaan tijdperk. Constant schreef: “We waren ons bewust van het feit dat we onszelf hadden losgesneden van het verleden en dat we een onbelemmerde vrijheid genoten. Enkel primitieven, kinderen en psychopaten konden rekenen op onze sympathie.” In mei 1949 gaan de drie Nederlandse Cobra-stichters terug naar Parijs waar ze geïntroduceerd worden bij de galerie van Colette Allendy. Appel wordt goed bevriend met Christian Dotremont, die hij zal blijven zien tot aan diens dood in 1978. In het najaar van 1949 wordt in het Stedelijk Museum van Amsterdam de eerste Cobra tentoonstelling georganiseerd door Willem Sandberg naar een ontwerp van Aldo van Eyck. De muurschildering die Appel in het cafetaria van het museum heeft aangebracht is onderwerp van controverses in de gemeenteraad die het museum beveelt het werk te overschilderen. De muurschildering zal gedurende tien jaar verborgen blijven onder behangpapier. 1950 is een keerpunt voor de Cobra-beweging. Michael Ragon wordt de woordvoerder en organiseert de eerste Cobra tentoonstelling in Parijs. Appel, Constant en Corneille verlaten Nederland om zich definitief in Parijs te vestigen waar ze opnieuw Jorn ontmoeten. De belangrijkste vriend van Appel tijdens zijn Parijse periode is Hugo Claus die in 1962 een uitgebreide studie zal schrijven over Karel Appel. Via Elly en Hugo Claus ontmoet Appel de criticus Michel Tapié die een spraakmakende tentoonstelling opzet in de Nina Dausset Galerie te Parijs met naast Appel werken van Pollock, De Kooning, Dubuffet, Wols en Hartung. Tapié zal Appel later introduceren bij de Martha Jackson Gallery in New York. In 1953 bezoekt Martha Jackson hem in zijn atelier en koopt verschillende werken. Het is het begin van een meer dan twintigjarige samenwerking. Appel neemt meer en meer afstand van Cobra en sluit zich aan bij Art Informel (of Art Autre), de groep rond Michel Tapié met kunstenaars als Henri Michaux, Willem De Kooning, Jean-Paul Riopelle, Jackson Pollock en Sam Francis. In zijn Art Autre-periode sluit Appel zich meestal af van andere kunstenaars. Hij heeft meer contact met dichters. Tijdens een verblijf aan de Italiaanse Riviera leert hij keramiektechnieken en maakt hij een serie terracotta’s gebaseerd op het menselijk hoofd. In de jaren vijftig krijgt Appel diverse opdrachten voor monumentale integraties in onder meer Rotterdam, Geleen, Amsterdam, Parijs, Venetië. In samenwerking met diverse architecten maakt hij zo’n veertig projecten, zowel voor publieke als private gebouwen, waarin hij uiteenlopende technieken hanteert zoals muurschildering, keramiek, glas-in-beton en glas-in-lood reliëfs. In 1957 reist hij naar Mexico en de Verenigde Staten waar hij de Abstract expressionisten ontmoet en onder de indruk komt van jazzmuzikanten als Dizzy Gillespie, Miles Davis, Count Basie en Sarah Vaughan. In 1960 maakt Karel Appel een reeks sculpturen vertrekkende van stammen van olijfbomen die hij beschildert. De Nederlandse filmmaker Jan Vrijman maakt in 1961 in Parijs de film “De werkelijkheid van Karel Appel” met muziek van Gillespie en Appel. In 1963 verdeelt Appel zijn tijd tussen Rome en Parijs. Hij begint te experimenteren met de integratie van objecten in zijn schilderijen. Dit plaveit de weg naar zijn toekomstige levendige en kleurrijke sculpturen. Naast het landschap bevolken motieven uit de volkskunst zijn werk. Met Hugo Claus werkt hij aan een meer dan levensgroot boek getiteld ‘Love Song’. In dit werk ziet men de affiniteit tussen het literaire oeuvre van Claus en het picturale werk van Appel. In 1965 begint Appel grote uit hout gesneden gepolychromeerde reliëfs en vrijstaande beelden te maken die hij in lagen assembleert. In 1970 neemt hij muziekcomposities op in samenwerking met Chet Baker, Merrill Sanders en andere musici uit San Francisco. Het jaar daarop maakt hij zijn eerste grootschalige sculptuur in gepolychromeerd aluminium. In 1972 vestigt hij zich opnieuw in Parijs en reist intensief naar onder andere Zuid-Amerika, Mexico, Indië, Nepal, Indonesië en Japan. Vanaf het midden van jaren zeventig gebruikt hij regelmatig extra licht materiaal, zoals plastic en polyurethaan, dat hij zodanig bewerkt en beschildert dat het er uitziet als hout of marmer. Een samenwerking met Pierre Alechinsky resulteert in een symbiotische reeks werken op papier die gepubliceerd worden met gedichten van Hugo Claus. In 1977 ruilt hij Parijs voor het Zuiden van Frankrijk. Hij begint aan een reeks schilderijen waarin hij landschappen, stillevens, bomen, en later figuren, neerzet in met platte penselen geschilderde ritmisch geplaatste rechthoekige verfstroken. Appel werkt in een meer gedisciplineerde stijl met gecontroleerde sterk empathische en patroonachtige penseelstroken. Vanaf 80 maakt hij de zogenaamde ‘venster-schilderijen’, tot vandaag zijn meest abstracte en contemplatieve schilderijen. Gelijktijdig maakt hij kleine sculpturen met appelsienkistjes. In 1982 maakt hij samen met de schrijver José Arquelles en de dichter Allen Ginsberg een reeks schilderijen en visuele gedichten die worden opgenomen in ‘On the Road’, de Jack Kerouac-tentoonstelling in het Boulder Center of the Visual Arts, Colorado. In 1983 begint hij de kleurrijke reeks ‘Apocalyptic Cloud Paintings’ en maakt hij zijn windmolen-sculpturen. In 1985 maakt hij de naakt-series op papier. In opdracht van de Opera de Paris creëert Karel Appel in 1987 het ballet ‘Can We Dance a Landscape?’ in samenwerking met de Japanse danser en choreograaf Min Tanaka en de Vietnamese componist Dao. In 1988 reist Appel door China. Werkt in 1989 samen met de kinderen van Hiroshima aan een muurschildering voor hun stad. Samenwerking met Min Tanaka voor het Zomerfestival 1990 in Hakushu, Japan. In 1991 creëert Appel opnieuw ‘Poëzie-schilderijen’ met Allen Ginsberg en Gregory Corso. Eveneens in het begin van de jaren negentig start hij zijn derde periode van sculpturale creaties. Als statements van Appels ideeën en verbeelding zijn het een soort ‘Gesamtkunstwerk’: een combinatie van schilderkunst, sculptuur en architectuur. Ze zijn zowel constructivistisch als expressionistisch en reveleren in hun proporties een klassieke zin van waardigheid. In opdracht van De Nederlandse Opera creëert Appel in 1994 de scenografie voor de opera ‘Noach’ van de jonge Nederlander Guus Janssen en librettist Friso Haverkamp. Het jaar nadien maakt hij de scenografie voor Mozarts ‘Toverfluit’ in samenwerking met Min Tanaka. In zijn schilderkunst neemt hij opnieuw het thema van het naakt op. In 1995 maakt hij in Toscane een reeks ‘landschapschilderijen’. Mat van Hensbergen maakt een film over Karel Appel. Vandaag verdeelt Karel Appel zijn tijd tussen Toscane, waar hij grote landschapschilderijen borstelt, en New York, waar hij verder sculpturen blijft maken.
geboortejaar en -plaats: 1921-04-25,

Meer werk van