Jan Fabre .Gaude Succurrere Vitae

13.10 tot 02.02.2003

De Antwerpse kunstenaar Jan Fabre is een van de meest veelzijdige kunstenaars van de internationale artistieke scène. Naast zijn activiteiten als regisseur, choreograaf, operamaker, auteur en scenograaf, maakt hij als beeldend kunstenaar zowel tekeningen, sculpturen, films als installaties. Die veelzijdigheid vormt een essentieel en krachtig kenmerk van zijn werk. Fabre benadert elk medium als een nieuwe wereld die hij op een speelse en tegelijk bedachtzame wijze verkent. De verschillende media worden vanuit hun specifieke eigenschappen benaderd, maar worden verenigd in hun gemeenschappelijke thematiek. De tekeningen zijn de meest directe neerslag van zijn denkbeelden. Het zijn geen voorstudies, ze staan autonoom op zich. In verhouding tot de kleine tekeningen op papier, kunnen Fabres films beschouwd worden als grote tekeningen met licht. In de tentoonstelling in het S.M.A.K. wordt voor het eerst een keuze van films van Fabre op een museale manier samengebracht. In een 20tal cinemazaaltjes worden films uit de periode 1978 - 2001 geprojecteerd. Deze worden geconfronteerd met reeksen tekeningen uit dezelfde periode afkomstig uit inter-nationale verzamelingen. Korte zwart-wit filmpjes van eind jaren ’70 tonen de kunstenaar die eenvoudige handelingen voor het oog van de camera uitvoert: het aanstrijken van een lucifer, het ophouden van een pistool tegen zijn slaap, het trekken van een zak over zijn hoofd. Latere films vertonen raakpunten met zijn werk als regisseur en choreograaf, zoals ‘Lichaampje, lichaampje aan de wand’ met een dansende Vandekeybus, en met zijn beeldend werk, zoals het volledig blauwgebicte Tivolikasteel. Vanuit zijn fascinatie voor de wonderbaarlijke insectenwereld, ontstonden enkele samenwerkingen met andere kunstenaars en denkers. In ‘De ontmoeting’ zien we Fabre als kever en Ilya Kabakov als vlieg verkleed op een terras voor de skyline van New York. In andere werken gaat hij confrontaties aan met de schrijver John Berger en de choreograaf Bill Forsyth of de filosofen Peter Sloterdijk en Dietmar Kamper. Binnen het medium film zoekt Fabre naar manieren om verschillende kennisdomeinen met elkaar te verzoenen.

Fabres tekeningen zijn een directe neerslag van zijn artistieke denken. Sommige vertrekken van inkt- of bloedvlekken, andere zijn getekend met potlood, bloed of in het universele bic-blauw. Reeds uit de allervroegste tekeningen spreekt Fabres interesse in de metamorfosen die in de nachtelijke insectenwereld plaatsgrijpen, alsook zijn sterk zintuiglijke en experimentele verbeelding. De tekeningen zijn als droomzones waarbinnen tal van ideeën die in de verschillende disciplines uitgewerkt worden voor het eerst vorm krijgen. De tentoonstelling kwam tot stand met de steun van Franken Standenbouw Internationaal bvba en Techni Quartz nv. JAN FABRE Jan Fabre (Antwerpen, 1958) is ongetwijfeld een van de belangrijkste Belgische kunstenaars, die tevens internationale erkenning geniet. Fabre is werkzaam sinds midden jaren ’70, gelijktijdig in verschillende artistieke deelgebieden. Zijn werk was de afgelopen decennia reeds te zien in tal van tentoonstellingen over de hele wereld, zoals bijvoorbeeld de Biën-nale van Venetië, Sao Paulo, Istanbul en de Documenta te Kassel, alsook in talrijke solotentoon-stellingen. De insectenwereld, het lichaam en de oorlogsstrategie zijn drie centrale metaforen die als een leidraad in het werk van Fabre zijn terug te vinden. Ze zijn halfweg de jaren ’70 al aanwezig wanneer de tiener Jan Fabre zijn Project voor nachtelijk grondgebied opstart. Dit project bestaat uit een territorium in de ouderlijke tuin dat alleen hij mag betreden. Centrum van dit domein is De Neus, een sculptuur gemaakt van oud tentzeil en voorzien van een tafeltje en een zaklamp. De Neus functioneert als een laboratorium waar hij experimenten uitvoert, voornamelijk met insecten en spinnen, die hij via allerlei transformaties nieuw leven inblaast. Hij maakt tekeningen van die wonderlijke en vaak grappige metamorfoses, schrijft zijn eerste theaterteksten, en door het bekrassen van een schoenendoos met een blauwe bic-balpen palmt hij zijn eerste artistieke ruimte in. Vanuit zijn persoonlijke leefwereld breidt hij zijn territorium met een quasi militaire strategie verder uit. Als negentienjarige herdoopt hij de straat waarin hij woont, de Lange Beeldekensstraat, tot "Jan Fabrestraat" en bevestigt hij aan zijn ouderlijk huis de gedenkplaat "Hier leeft en werkt Jan Fabre", naar analogie met de gedenkplaat op het huis verderop in de straat waar Vincent Van Gogh drie maanden verbleef. In het merendeel van de performances zal Fabre, zoals in het straatnaambord, de taal als wapen hanteren om zich enerzijds binnen een bepaald systeem – de kunstgeschiedenis, de kunstmarkt, de kunstkritiek, de taal zelf – te positioneren, én om het betreffende systeem tegelijk te ondermijnen. Beelden en begrippen komen onder steeds wisselende gedaantes terug.

De schoenendoos is bijvoorbeeld het begin van een omvangrijke Bic Art-productie, van de Bic-dweilen tot reusachtige zijden doeken, van grote kasten tot het betoverende kasteel Tivoli en van de Bic Art Room-performance tot de theatervoorstelling Prometheus Landschaft in een volledig blauwgebicte ruimte, opgevoerd tijdens het ‘Uur blauw’. Dat laatste is eveneens een centrale metafoor in zijn oeuvre. Het Uur Blauw duidt het moment in de natuur aan waarop de nachtdieren gaan slapen en de dagdieren ontwaken. Het is een moment van diepe stilte, waarbij alles opensplijt, uitbarst en verandert. Dat precieze moment, tussen nacht en dag, tussen leven en dood, probeert Fabre te vatten in de bictekeningen. Het fysieke, lichamelijke bewustzijn werkt hij aanvankelijk uit in individuele performances. Zo maakt hij in de performance My body, my blood, my landscape tekeningen met zijn eigen bloed. The Bic-art Room is een volledig afgesloten, witte ruimte waarin hij drie etmalen lang verblijft. Zijn enige wapens om de tijd te verdrijven zijn bic-balpennen. Al gauw palmt hij met performance-elementen ook het theaterpodium in. Met onder andere de toepassing van uitputtende herhalingen en reëel gevaar haalt hij het illusionaire karakter van traditionele theatervormen onderuit. Theater, dans of opera betekent voor Fabre intens samenwerken en dialogeren met zijn ‘Krijgers van de Schoonheid’, de titel waarmee hij zijn acteurs, dansers en medewerkers bedenkt. Het werken binnen het zware institutionele kader van een opera, of zoals afgelopen voorjaar met het Ballet van Vlaanderen voor de opvoering van Het Zwanenmeer van Tschaikovsky, vormt een pendant voor zijn tekeningen en teksten, die hij in de eenzame uren van de nacht maakt. In de harnassen die Fabres acteurs of dansers dikwijls tooien, komen verwijzingen naar de insectenwereld, de oorlog en het eigen lichamelijke bewustzijn opnieuw samen. Ook zijn sculpturen, die opgebouwd zijn uit pantsers van kevers en die onder andere een engel, een jonge vrouw, een monnik of een vleesklomp voorstellen, beschouwt Fabre als spirituele lichamen: "Het lichaam als een huls, leeg maar vol van herinnering." Het schild van de kever, dat als een soort uitwendig skelet fungeert, vormt de basis voor een utopisch, toekomstig mensbeeld, dat niet meer zo kwetsbaar is en de snelheid aankan waarmee we leven. Het is ook een lichaam dat verlost is van de vele taboes die eigenlijk nog uit de Middeleeuwen stammen. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is de dood, die in onze maatschappij onder het tapijt geveegd wordt maar in heel Fabres oeuvre een krachtig en positief energieveld vormt. TENTOONSTELLING SMAK: FILMS EN TEKENINGEN De tentoonstelling in het S.M.A.K. wil het filmisch en grafisch aspect binnen het oeuvre van Jan Fabre belichten.

Een keuze van zijn films tussen eind jaren ’70 en vandaag wordt afgewisseld met reeksen tekeningen afkomstig uit internationale verzamelingen. De schijnbare dualiteit tussen film en tekeningen maakt de kracht van deze tentoonstelling uit. De vroegste films van Jan Fabre ontstaan eind jaren ’70. Gefilmd met een 8 mm-camera, tonen de zwartwit-filmpjes eenvoudige handelingen zoals het over het hoofd trekken van een zak, twee kussende, kronkelende tongen, het tegen de slaap houden van een pistool of het simpelweg registreren van de ademhaling. De films duren enkele minuten, zijn erg gebald en waren destijds ongetwijfeld hun tijd vooruit. In de films van eind jaren ’70 merken we tevens al tal van motieven die later zullen terugkeren en uitgewerkt worden. Zoals bijvoorbeeld de opname van een zwaan en diens reflectie op een meer, hetgeen doet denken aan Fabres opvoering van Het Zwanenmeer. Het gaat altijd om volledig autonoom film-werk, met ‘performances’ die specifiek voor het medium film bedacht en opgevoerd werden. Toch zijn er ook linken met andere werken. In Tivoli bijvoorbeeld, waar van op een vast standpunt het volledig blauw gebicte kasteel in beeld gebracht wordt terwijl het licht verandert, wolken voorbijdrijven en het ten slotte donker wordt. Lichaampje, lichaampje aan de wand is een film met beelden van een dansende, beschilderde Wim Vandekeybus. Deze film werd vervolgens tijdens de danssolo met de gelijknamige titel en dezelfde danser geprojecteerd op de scène. Centraal in de meeste films van de laatste jaren staat het begrip ‘consilience’. Die term werd in het midden van de 19de eeuw uitgevonden door William Whewell. In die tijd werkten kunstenaars, wetenschappers, schrijvers en dichters vaak samen. Consilience betekent letterlijk: waar elementen uit verschillende disciplines, gebaseerd op feiten en theorie, samen’springen’. Fabre past verschillende domeinen van kennis toe en voelt aan welk soort consiliences die verschillende media bevatten. Het beste voorbeeld was het experiment dat hij uitvoerde met entomologen van het Natural History Museum in Londen. Die waren allemaal gekleed in speciale sculptuurachtige kleren, die Fabre ontwierp om hun favoriete insect te visualiseren (een wesp, een muskiet, een vlinder, een kever). Het ultieme doel van die performance bestond erin dat bepaalde insect te belichamen, op een fysiek onderbewust eerder dan op een louter intellectueel niveau. Alle handelingen, die voornamelijk in de kelders van het museum plaatsvonden, werden gefilmd. Die performances en de resulterende film vormen in zekere zin het spiegelbeeld van de wonderlijke metamorfoses en transformaties die zich bijna dertig jaar geleden in De Neus afgespeeld hebben. Terwijl toen de tiener-entomoloog Jan Fabre met insecten experimenteerde, kruipen de wetenschappers en de kunstenaar nu zelf in de huid van hun geliefde studieobject, om zich die vreemde werelden met de metaforische methode meer vertrouwd te maken. Een heel belangrijke, gelijkaardige ontmoeting was die met Ilya Kabakov, in de kelder en op het dak van het flatgebouw in New York waar de Russische kunstenaar woont. Een van de symbolen waarmee Kabakov werkt is de vlieg; Fabre werkt bij voorkeur met de kever. In de Ontmoeting starten de kunstenaars, elk verkleed in het betreffende insect, een conversatie met elkaar over de vlieg en de kever, in de politieke, sociale en artistieke betekenis. Dit materiaal werd gebruikt voor een film, een installatie en tekeningen. Een film, gemaakt in een anatomiemuseum te Montpellier, vloeide voort uit een samenwerking met de schrijver John Berger en de choreograaf Bill Forsythe.

Met twee belangrijke Duitse filosofen, Dietmar Kamper en Peter Sloterdijk, maakte Fabre de film The Problem over een aantal wonderlijke gebeurtenissen in een modderig veld. Gehuld in glinsterend zwarte pandjesjassen rollen de drie heren als ijverige scarabeeën elk een mestbal voort. Stoeiend en zwoegend in het slijk bouwen ze hun eigen wereld op. De beide films zijn uitstekende voorbeelden van de onvoorstelbare samenhang en krachtige dynamiek die Fabres oeuvre kenmerken. ‘Angel of Death’, een vierdelinge filmprojectie van zes meter hoog in een vierkante constructie, zal tijdens de tentoonstelling in wereldpremière te zien zijn. Bill Forsythe danst, Blindman kwartet verzorgt de muziek. Dit project zal na de tentoonstelling op reis gaan. De tekeningen van Jan Fabre geven uiting aan een spontane scheppingsdrang. Ze zijn een directe neerslag van het artistieke denken en reflecteren van de kunstenaar. Sommige zijn getekend met bloed, andere met potlood, sperma, Chinese inkt of met bic-blauw. De tekeningen vormen de basis van zijn kunstenaarschap. Over zijn tekeningen zegt Fabre: "Tekenen is een metamorfose van tekens die van gedaante verwisselen zoals insecten. Een metamorfose die zich steeds herhaalt, er is geen einde, er is geen begin, een gevoel van komen en gaan en altijd onderweg zijn, van eb en vloed." Fabre ontdoet zich van de vorm door lijnen te tekenen die reizen zonder ooit aan te komen. Die actie gaat gepaard met gevoelens van plezier, spanning, euforie, hoop en wanhoop, zelfs met een toestand van trance of extase. Daarbij groeit de indruk dat het materiaal transparant wordt en dat hij kan zien wat het van hem verlangt, zodat hij intuïtief reageert en geeft. Het is zoals een hallucinatie, duizenden en duizenden lijnen die zich vermenigvuldigen en elkaar kruisen. Tekeningen zijn droomzones, velden van verwachting. Tekenen is voor Fabre een sterk fysieke belevenis, waarin hij de grenzen van zijn eigen lichamelijkheid aftast en verschuift, waarin hij een andere ruimte wil laten ontstaan. Hij werkt reeds in een vroeg stadium van zijn oeuvre met bloed, eigen bloed of dat van een menstruerende vriendin. Potloodtekeningen van een vrouwelijk geslacht, een insect of een schildpad werden bevlekt met bloedspatten, een besmeurde vingerafdruk of een dikke druppel. Fabre’s tekeningen raken al snel verbonden met associaties van performances. De combinatie van het stille, beschouwelijke genre van de tekenkunst en de heftige elementen (pijn, gevaar, suggesties van zelfverminking) van de performance rukt het tekenen helemaal weg uit zijn academische waarde. In 2001 hield Fabre in Lyon de performance Sanguis Mantis. Hij hees zich in een loodzwaar harnas waarin normaal functioneren haast onmogelijk was. Op dit harnas plaatste Fabre een grote kopie van de kop van een bidsprinkhaan. Hij tapte voortdurend bloed af om daarmee een reeks tekeningen te maken. De omstandigheden (de verlaagde bloeddruk, het weer inademen van uitgeademde lucht, de intensiteit van het tekenen) brachten Fabre na vijf uur op de rand van de bezwijming. Ook hier is de thematiek van de insectenwereld, het lichaam en de oorlog weer duidelijk aanwezig. Zowel voor de films als voor de tekeningen worden er kabinetten doorheen de verschillende museumzalen opgetrokken. Er ontstaat op deze manier een labyrintvormige ruime, waarin de kijker zijn eigen weg kan zoeken, zelf verbanden leggend tussen projecties en tekeningen. Al die factoren zullen zowel de vertrouwde als de nieuwe bezoeker van het veelkantige Fabre-universum ongetwijfeld stimuleren om ongekende paden te verkennen en nieuwe facetten te ontdekken. Deze tentoonstelling zal in de periode 2003-2004 rondreizen naar het Musée d’Art Contemporain te Lyon, de Galleria d’Arte Moderna e contemporanea te Bergamo en in de Fundació Juan Miro te Barcelona.

  Meer over Jan Fabre