Guillaume Bijl

Guillaume Bijl (°1946, Antwerpen) is een van de belangrijkste Belgische beeldhouwers en installatiekunstenaars van de jaren 1980 tot nu. Bijls positie als kunstenaar binnen de ontwikkelingen in de toenmalige hedendaagse kunstwereld is lang nogal ambigu geweest. Zijn dikwijls monumentale, bijna hyperrealistische installatie-omgevingen ontwikkelde hij tijdens de hoogdagen van de conceptuele kunst in België – met kunstenaars als Panamarenko, Marcel Broodthaers, Lili Dujouri en Danny Matthys – waarmee Bijl naar eigen zeggen minder voeling had. Hij richtte in zijn vroege jaren zijn blik eerder op de popart en had een voorliefde voor schilders als David Hockney, Francis Bacon en Derek Boshier. Het is pas later, in 2001, dat Bijl door de Duitse kunstcriticus Stefan Römer terecht als een Europese adept van de Appropriation Art werd geduid, een Amerikaanse kunststroming die begin jaren 1980 opkwam en waarbinnen kunstenaars als Jeff Koons, Art & Language, Cindy Sherman en Sherrie Levine bestaande beelden uit het dagelijkse leven bijna letterlijk reproduceerden met als doel de ‘authentieke’ codes van de westerse consumptiemaatschappij als beeldclichés van zichzelf te ontmaskeren.

Bijl – een autodidact – was reeds vroeg in kunst geïnteresseerd en leerde zichzelf schilderen in de jaren 1960, maar stelde deze werken nooit tentoon. In 1969 begon hij zich sterk te interesseren voor decorbouw en schreef hij zich in voor een theateropleiding, die hij het jaar nadien al verliet omdat die studierichting in zijn ogen te sterk gericht was op het acteren en regisseren, en minder op de materiële theatrale omkadering. In de jaren 1970 oefende Bijl om aan de kost te komen een aantal administratieve beroepen uit. Volgens hem was deze university of life in het lagere middenklassecircuit belangrijker voor zijn artistieke praktijk dan de zogenaamde kunstopleidingen, omdat die hem deed beseffen dat kunst – zelfs al is die conceptueel – een door een zo breed mogelijk publiek gedragen werkelijkheid diende te verbeelden. Gedurende grofweg tien jaar, van eind jaren 1960 tot eind 1970, creëerde Bijl een hele reeks ‘conceptuele’ werken op papier, een soort van ideeënscripts voor performatieve acties, die echter geen van alle ooit werden uitgevoerd, maar die hij van cruciaal belang achtte voor zijn latere, bekende installatiewerk. De belangrijkste van deze conceptuele scripts categoriseerde hij zelf als de zogenaamde Project Pleasures – die hij uitdacht tussen 1969 en 1979 – en de Behandelingen – die hij concipieerde tussen 1975 en 1978. In beide concepten stond de idee centraal om het publiek als ‘acteur’ bij zijn acties te betrekken, zonder dat het zich bewust was dat het een artistiek gefingeerde situatie betrof. De Project Pleasures, een soort van flashmob-acties avant la lettre, waren meer efemere ingrepen die dikwijls dienden plaats te vinden in de openbare ruimte. Een van de markantste ideeën hieruit was een actie waarbij een acteur op een drukke dag plaatsnam op de hoogste toren van Antwerpen, zogenaamd om zelfmoord te plegen, waarbij Bijl dan de reacties van het nietsvermoedende publiek hierop als een anonieme kunstenaar-observator probeerde te peilen. De Behandelingen daarentegen waren meer uitgewerkt en theatraler van karakter, en kunnen nog het best beschreven worden als scripts voor publieksparticiperende theaterstukken. Zo plande Bijl onder andere voor een zo groot mogelijk publiek een ‘Behandeling kerk’, een ‘Behandeling leger’ en een ‘Behandeling beroepsoriëntatie’ – alle prototypische categoriseringen binnen de westerse laat-twintigste-eeuwse, bureaucratische maatschappij – waarbij het publiek werd uitgenodigd om door middel van verschillende typische tests zo’n behandeling te ondergaan, met het therapeutische doel om nadien van deze categorie ‘genezen’ te worden. De hoofdreden waarom Bijl deze conceptuele scripts nooit heeft uitgevoerd was omdat hij ze steeds ‘te theatraal’ vond, waardoor hij het publiek hierin ‘te bewust’ diende te betrekken om de actie te doen slagen. Dit probleem werd echter spontaan opgelost toen Bijl een concrete kunstruimte zag – galerie Ruimte Z in Antwerpen – waarin hij zo’n ‘behandeling’ effectief kon uitvoeren als een installatie en waarin het publiek ‘spontaan’ in en uit kon lopen, en er dus zo onbewust deel van ging uitmaken. Hij besloot deze galerie om te bouwen tot ‘Autorijschool Z’, zijn allereerste installatie, en meteen het startschot voor zijn gehele verdere artistieke praktijk. Sindsdien heeft Bijl nagenoeg enkel nog installaties en sculpturaal werk gemaakt, dat hij zelf zorgvuldig onderverdeelde in vijf categorieën. De eerste zijn de zogenaamde Transformatie-installaties, die volgens Bijl rechtstreeks ontstaan zijn uit de Behandelingen, en die hij beschrijft als ‘een realiteit in een onrealiteit’. Deze installaties kunnen bekeken worden als een soort van driedimensionale stillevens, die bijna exacte kopieën vormen van realistische situaties. Door ze echter in de ‘onrealiteit’ van een kunstruimte te plaatsen, zorgt Bijl voor een vervreemdend effect, waardoor de toeschouwer ‘objectiverend’ naar de voor hem bekende realiteit kan kijken. De tweede categorie betreft de Situatie-installaties, die het omgekeerde concept vormen van de Transformaties. Het zijn ‘onrealiteiten in de realiteit’, die hun oorsprong vinden in de meer efemere Project Pleasures, en die Bijl benoemt als ‘fictieve artistieke ingrepen in de werkelijkheid die nauwelijks zichtbaar zijn, en daardoor de banale vanzelfsprekendheden op losse schroeven zetten’. Een derde groep zijn de Compositions trouvées, zorgvuldig georkestreerde composities van ‘pseudo-gevonden’ voorwerpen, die Bijl beschouwt als zijn reactie op de Duchampiaanse idee van het objet trouvé, met dit verschil dat het object voor hem enkel betekenisgevend kan zijn in relatie tot andere objecten – vandaar het woord ‘Composition’ in de titel. Een volgende categorie werken bestaat uit de Sorry-installaties, kleine, licht-surrealistische, humoristisch-absurde assemblages met bestaande voorwerpen die Bijl vanaf 1987 begon te vervaardigen. Hij ging hierbij naar eigen zeggen ‘vreemd’ ten opzichte van zijn eigen realisme, wat meteen de titel ‘Sorry’ verklaart. Een laatste groep werken benoemde Bijl als ‘Cultureel Toerisme’, installaties die het culturele massatoerisme, eigen aan onze consumptiemaatschappij, op de korrel nemen en die doorgaans bestaan uit zorgvuldig georkestreerde, zeer realistische maar valse tentoonstellingen in culturele ruimtes, die nauwelijks te onderscheiden vallen van de ‘echte’ tentoonstellingsprogrammatie.

Gedurende meer dan dertig jaar bouwt Bijl binnen deze vijf categorieën aan een ongelooflijk consistent installatie- en sculpturaal oeuvre, dat hij beschouwt als ‘realistische getuigenissen om visueel af te rekenen met mijn tijd’. Zijn werken kunnen letterlijk bekeken worden als 99% puur realisme, als het ware een bijna exacte kopie van ‘een stukje realiteit’, waardoor het eigenlijk dubbele vervalsingen zijn van de werkelijkheid, die daardoor aan het licht brengen dat in deze maatschappij de realiteit enkel nog een vervalsing van zichzelf blijkt te zijn.

Auteur: Thibaut Verhoeven. 


geboortejaar en -plaats: 1946,

Meer werk van

Publicaties