.Uit de Collectie | noWHere

30.11 tot 16.02.2020

De Franse filosoof en antropoloog Marc Augé omschreef in 1992 de ‘non-lieu’ als een universele plek zonder sociaal-maatschappelijke of architecturale identiteit, een typisch product van onze westerse supermoderniteit die door zijn ‘tussenin-status’ nooit het statuut van een volwaardig bemenselijkte plaats zal bereiken. Voorbeelden van ‘non-plaatsen’ die Augé geeft, zijn luchthavens, hotelkamers, metrostations en autostrades maar evengoed zouden ook musea hiervoor in aanmerking kunnen komen. Door hun onpersoonlijke, anonieme en vluchtige karakter roepen ‘non-plaatsen’ een gamma aan onbestemde gevoelens op, van ‘unheimlichkeit’, nostalgie, onthechting en ontmenselijking tot een verlangen naar of verwachting van exotisme, escapisme, vrijheid of een betere toekomst.

Waar de ‘non-plaats’ vanuit antropologisch-maatschappelijk standpunt wordt geïnterpreteerd uitgaande van haar anonieme karakter en effect op de menselijke psychologie, lijkt ze door veel kunstenaars eerder utopisch te worden begrepen. Voor hen is de ‘non-plaats’ een metafoor voor het verlangen naar een plek waar pure autonomie heerst, zowel ten opzichte van de kunst zelf, als ten aanzien van de maatschappij waarin ze zich bevindt. De meeste kunstwerken in deze tentoonstelling verbeelden dan ook niet enkel een onthechte, afstandelijke, bevreemdende en vervreemde omgang met de huidige supermoderne, vluchtige realiteit, ze verdragen bovendien zelden andere werken in hun buurt. Vandaar de keuze om ze hier onafhankelijk van elkaar te presenteren, als ‘non-plaatsen’ tussen concrete plaats en mentale ruimte, tussen ergens en nergens, hier en nu en daar en dan.

Met werk van onder meer Dirk Braeckman, Jean-Marc Bustamante, Johan De Wilde, Richard Long, Mark Manders, Wesley Meuris, Reinhard Mucha, Dennis Oppenheim, Paul Thek, Jan Vercruysse, Henk Visch en Lawrence Weiner.