Michael Gross zag zijn kunst als een persoonlijke reactie op het leven en verwerkte veel persoonlijke gebeurtenissen in zijn schilderijen, sculpturen, installaties, tekeningen en grafiek. Hij is geboren in toenmalig Palestijns gebied dat onder Brits mandaat stond. Hij groeit op aan de oevers van het meer van Tiberias, op de boerderij van zijn ouders. Terwijl hij in Jeruzalem een lerarenopleiding volgt (1936-’40), wordt de boerderij door Palestijnen verwoest. Zijn oom en vader overleven de rellen niet en sterven in 1938 en 1939. Naar verluidt ligt het tragische verlies van zijn vader aan de basis van Gross’ behoefte om zich in schilderkunst te uiten. De vaderfiguur blijft dan ook tot diep in de jaren ’80 een prominent motief in veel van zijn schilderijen.
Gross studeert architectuur aan het Technion-instituut voor Technologie in Haifa (1943-’45) en tegelijk beeldhouwkunst bij Moshe Ziffer. Dankzij een beurs kan hij van 1951 tot ’54 naar de École National Supérieure des Beaux-Arts te Parijs. Daar vindt hij aansluiting bij de actuele, internationale ontwikkelingen. Gross leert uit de oeuvres van Chaim Soutine, Henri Matisse en Alberto Giacometti. Constantin Brancusi zoekt hij ook in zijn atelier op. Gross kent in Parijs zijn eerste successen. Terug in Israël vestigt hij zich in het kunstenaarsdorp Ein Hod bij Haifa en doceert hij beeldhouwkunst aan de Bezalelacademie in Jeruzalem (1957-’60) en aan het Kunstinstituut van Oranim (1960-’86). Gross is veertig wanneer hij internationaal succes kent. Discussies over de lokale, internationale of universele betekenis van zijn werk blijven levendig. Toch vertegenwoordigt hij in 1960 met enkele anderen Israël op de Biënnale van Venetië. In 1971 ontvangt hij op de Biënnale van São Paulo de gouden medaille voor beeldhouwkunst. Het Museum of Modern Art, New York, koopt in 1965 werk van hem aan, in 1972 gevolgd door het Guggenheim Museum, New York. Maar de meerderheid van zijn werken bevindt zich in Israëlische collecties en beeldenparken. Gross wordt beschouwd als een van de belangrijkste Israëlische kunstenaars van de tweede helft van de 20ste eeuw. Jongere Israëlische kunstenaars, zoals Belu-Simion Fainaru (°1959), erkennen zijn invloed op hun ontwikkeling.
Gross debuteert in de jaren ’40 met olieverfschilderijen en kleisculpturen. Mede onder invloed van Brancusi creëert hij in de jaren ’50 ook sculpturen in hout en steen. Gross evolueert gelijklopend van een dik in de verf aangezette schilderkunst en een massieve beeldhouwkunst tot een in beide disciplines zeer sterk gereduceerde vormentaal. In zijn schilderkunst uit dit zich in een verregaande versobering van kleur en vorm. Slechts enkele vlakken in pastel- en natuurlijke, organische tinten maken de hele compositie uit. Vanaf de late jaren ’60 evolueert ook zijn beeldhouwkunst van massa in de ruimte naar sculpturen die als lijntekeningen in de ruimte staan. Ze herinneren aan sculpturen van Giacometti en Barnett Newman. Gross onderschrijft het programma van de minimal art niet. Minimalisme is voor hem namelijk geen doel op zich, maar een middel om zijn beelden tot hun essentie te herleiden. Gross ziet zich eerder als een constructivist, begrepen als een stijl die via een geometrisch complex van vormen de grootst mogelijke boodschap wil overbrengen. Hij zoekt naar evenwicht in vorm, materiaal en kleur, waarbij hij steevast uitgaat van een persoonlijke band met de figuren of het beleefde moment. Gross houdt ook van popart en combineert in veel van zijn doeken onder meer gerecupereerde houten balken, deuren en ramen. Bij het integreren van dergelijke extra-picturale elementen, zoekt Gross een directe band met het leven. Naast landschappen domineren in Gross’ schilderijen menselijke, vegetatieve en huiselijke motieven, zoals vrouwelijke naakten, boomstammen, tafels en stoelen. Vensters en deuren komen niet alleen als structuren terug in zijn schilderijen maar ook in zijn ruimtelijke installaties. Gross reduceert hoe langer hoe meer en bereikt rond 2000 bijna volledige abstractie.